In gesprek met een directeur en een leraar PO
Over vier jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.
– Ja, ik denk dat dit beeld klopt. Elders speelt het al, meer dan hier. Waar ik als eerste aan denk: kijk naar de kwaliteit van het onderwijs over vier jaar. Meer dan nu zal je op data moeten sturen.
– Als samenwerken met onderwijsassistenten mij als leraar straks overkomt, zonder mij er vooraf bij te betrekken, zie ik hun komst als een knelpunt. Dan weet ik namelijk niet wat het effect zal zijn. Voor mijn gevoel dreig ik dan mijn leerlingen kwijt te raken. Want wie is voor hen verantwoordelijk? Dat ben ik. Om dat onzekere gevoel te kunnen loslaten, wil ik werken met onderwijsassistenten die aan de samenwerking zo’n goede draai weten te geven, dat bij de leerlingen een vlammetje gaat branden.
– Er moet een goed model komen voor deze 1+3 opzet. De leraar bepaalt de efficiency van de samenwerking met de onderwijsassistent. Ik kies bewust voor samenwerken boven aansturen.
Een school waar het draait en bruist
– Van dertig naar vijftig leerlingen is flinke stap. Als ik me voorstel dat ik voor de leerjaren 6, 7 en 8 dagelijks de basisinstructie, verlengde instructie en verkorte instructie moet uitvoeren; dan ren ik me rot over vier jaar. Het zou handig zijn om met drie parallelgroepen te werken, in plaats van met drie opeenvolgende leerjaren. Op een grote school als de onze kan dat. Dan kun je werken vanuit: onderbouwhuis, middenbouwhuis, bovenbouwhuis. Ben je als leerling klaar in het onderbouwhuis, dan stroom je door naar het volgende huis. Iedere leerling op zijn eigen moment; een individuele leerlijn. Dat kan over vier jaar een passende structuur zijn.
– In ieder systeem zijn er leerlingen die niet direct instappen. Die komen later naar je toe met een vraag waarop je een korte instructie kunt geven. Als leraar ben je dan de hele dag instructie aan het geven: kort en op maat, kleine groepjes, individuele leerlingen.
– Dan laat je zowel het leerstofjaarklassensysteem als het idee van een gemiddelde leerling los, en de begeleiding wordt individueler. Voor iedere leraar is het leerstofjaarklassensysteem eenzaam. Laat je dat los, dan heb je een heel team tot je beschikking om mee te overleggen. Data worden ook belangrijker: door het analyseren van toetsresultaten kun je achterhalen op welk niveau de individuele leerling de stof beheerst en kun je voor je zien wat het juiste vervolgaanbod moet zijn. Iedere leraar moet dus uitstekend kunnen analyseren.
Flowzoekers en afhakers
– Ik vind het wel leuk om me af te vragen wat de begeleiding door vier volwassenen voor een groep van vijftig leerlingen kan betekenen. Wat zal dat opleveren? Stel dat de 1+3 samenwerking een succes wordt, dan komen leraar en onderwijsassistenten in een flow. Gebeurt dat bij iedereen dan kun je een school krijgen waar het draait en bruist. Dat zou aantrekkelijk zijn. Voor leerlingen ook. Dan hebben die vijftig leerlingen opeens vier frisse koppen voor de klas. Dat kan ze motiveren; ze kunnen effectiever werken; het leerrendement kan omhoog gaan.
– Als we die kant opgaan krijgt het onderwijs te maken met flowzoekers en afhakers. De flowzoekers zullen elkaar opzoeken. Sommige scholen zullen een grote aantrekkingskracht uitoefenen op leraren, onderwijsassistenten, pedagogisch medewerkers, vakleerkrachten, ouders en leerlingen. De afhakers zijn leraren die niet mee willen. Ze houden hun benen stil; willen niet meetrappen om samen verder te komen.
Het is belangrijk om te kijken naar de pioniers
– In het voortgezet onderwijs zijn interessante experimenten geweest met leerpleinen voor grotere groepen leerlingen onder leiding van docententeams. Je hoort regelmatig over het mislukken daarvan. Dat zegt niet alles, want waar grote veranderingen niet op de juiste wijze door de directie worden begeleid, en leraren hun skills niet aanpassen aan veranderende omstandigheden, ligt een mislukking voor de hand.
– Er zijn scholen voor voortgezet onderwijs waar werken met leerpleinen goed draait. Het succes op die scholen is een inspirerend gegeven; om jezelf te scholen, te spiegelen. Het is belangrijk om te kijken naar de pioniers, de voortrekkers. Er wordt sinds de jaren zeventig geëxperimenteerd met coöperatieve werkvormen. De kernvraag is; hoe laat je de ideeën die daarachter zitten, landen bij de leraren.
Je beelden bijstellen
– Als er vernieuwing nodig is – omdat er schaarste is – en je blijft als school of leraar stilstaan, dan schiet je jezelf in de voet. Je moet je beelden bijstellen en in het belang van de leerlingen willen denken. Wil je keurig blijven lesgeven volgens een traditionele, klassikale werkwijze – alsof de poppen op het bed zitten – dan kun je op de vernieuwing afknappen.
– Dat in de toekomst meerdere volwassenen voor de klas staan, is niet nieuw. Ruimte voor vakleerkrachten muziek, cultuur, gymnastiek is er allang. Er bestaan ook allang gastlessen van vaders, moeders, experts en wetenschappers. In feite staat er op heel wat scholen al jarenlang niet meer één enkele man of vrouw voor de groep.
– Dat werken als team voor een groep complicaties meebrengt zie je bij duo-partners. Als duo goed presteren betekent: goede planning, zorgvuldige administratie, meer overleg. We weten dankzij corona dat niet ieder overleg fysiek hoeft te zijn. Via mail, telefoon en beeldbellen kun je overleggen en afstemmen. Dat werkt prima.
Niet de methode maar jouw analyse moet dominant zijn
– Terug naar onze school. Hier is veel werk te verzetten. Hoe organiseren we voldoende medewerkers in een tijd van schaarste? Wat kan de inzet van een bevoegde leraar met drie onderwijsassistenten voor vijftig leerlingen ons opleveren? Hoe richt je dat effectief in? Wat is de impact op onze leerlingen? Hoe zelfstandig gaan ze werken? Hoe bereik je een mooie balans tussen leerplein en resultaat? Hoeveel eigen inkleuring is er voor de leraar mogelijk? Gaat binnen het team iedereen er in mee?
– De casus 1+3 wordt moeilijker door een tekort aan onderwijsassistenten en pedagogisch medewerkers. Daar kunnen we op inspelen omdat school en naschoolse opvang in één gebouw zitten. Als er één ontwikkelingslijn is, dan kan het aantrekkelijk worden voor pedagogisch medewerkers om meer dan 32 uur per week te werken. Je baan wordt afwisselender door zowel op een BSO als op een school te werken. Dat trekt mensen aan, zeker ook mannen die zich willen binden wegens de afwisselende baan plus een uitbreiding van uren en salaris.
Zet je aanpak goed op poten
– Verder biedt de samenwerking als leraar en onderwijsassistenten voor een groep van vijftig leerlingen, kansen om individueler, gedifferentieerder, op meerdere niveaus te werken. Die aanpak moet je goed op poten zetten. En dat betekent veel voor wie op dit moment sterk methode-afhankelijk werkt. Want wat je van methodes moet weten, is dat ze worden geschreven door vakidioten die helemaal ‘los’ gaan. Dat betekent, voor jou als leraar, dat je keuzes moet maken. Niet hun methode, maar jouw analyse moet dominant zijn. Als leraar met drie onderwijsassistenten kun je niet alle methode-lessen volgen. Die tijd heb je niet. Het is de leerlijn die in je hoofd moet gaan zitten.
– Gaat dat ook op onze school lukken? We hebben nog tijd om de horloges gelijk te zetten. Over het algemeen gaat het hier goed en hebben we positieve bouwstenen in handen.
– De opbrengsten bij de 1+3 aanpak kunnen over vier jaar bovengemiddeld zijn.