06 24 258 248 bobmaassneek@gmail.com
Selecteer een pagina

In gesprek met een leraar PO

Binnen drie jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.

– Drie onderwijsassistenten en één leraar: dat is dus het beeld …

– Oké. Klinkt wel herkenbaar. Als je assistenten drie MBO-ers zijn, vraag ik me af; wat kan ik van ze vragen? Je zou graag hun verschillende kwaliteiten en expertises kennen. Wie is waar goed in? Aan wie deel je welke taak toe? Verlengde instructie? Het voeren van kindgesprekken? Wie heeft een goede kijk op gedrag?

Taakduidelijkheid

– Je taak als leraar verandert. Je kunt niet zo maar wat aanmodderen. Om zo’n omslag te laten slagen is taakduidelijkheid het eerste dat in me opkomt. Word je verantwoordelijk voor goed onderwijs aan vijftig leerlingen en de goede samenwerking van vier volwassenen? Dan moet je aansturen op basis van duidelijkheid. Voor jezelf en je onderwijsassistententeam is het zaak vast te leggen wie, wat, wanneer doet. Niets mag blijven liggen. Geen stap mag worden overgeslagen. Aanbod en planning moeten duidelijk zijn en worden vastgelegd. Iedereen moet op de hoogte zijn. Alleen zo voorkom je dat je elkaar voor de voeten loopt; of dat iemand niet weet wat er morgen van hem of haar wordt verwacht.

– Iedere dagtaak, iedere weektaak moet helder zijn.

Dat is voor een onderwijsassistent niet mis

– Als ik de tekst goed tot me door laat dringen, werken we over vier jaar meer als een bedrijf dan als de school die we nu kennen. Het klinkt alsof ik in mijn rol als leraar, naast het voorbereiden en uitvoeren van de instructie aan mijn vijftig leerlingen, heel veel logistiek bezig zal zijn: het aanbod plannen, organiseren, structureren, uitvoeren, evalueren, coachen. De voortgang en de afspraken vastleggen.

– Hoe ziet zo’n dag in de logistiek er uit? Er zijn toch vijftig leerlingen die iedere dag moeten leren. Voor een onderwijsassistent zal het ook niet mis zijn om vijftien leerlingen voor zich te zien. Dat is toch een klas. Dan ben je bijna een docent. En dat is niet je baan, niet je taak, niet je bevoegdheid.

Betere afstemming op de praktijk

– Ik zie voor me dat ik als leraar een andere rol krijg. Ik krijg als het ware mijn eigen team. Je zult die nieuwe samenwerking met elkaar onder de knie moeten krijgen.

– Je hebt in de praktijk veel kennis nodig. Hoe werkt het brein? Hoe geef je goed les? Daaraan is in mijn opleiding niet veel aandacht besteed. Waarom ga je als student tijdens je opleiding niet volledig richting je toekomstige vak als leraar, als onderwijsassistent? Waarom leerden we als studenten op de Pabo zo weinig over elkaars expertise? Het was zo dat, toen ik eenmaal op school stond, ik opeens dacht: Hé, ik heb een klas. O jongens, daar zijn de ouders. Wacht even, ik moet de hele dag goed lesgeven.

– Een betere afstemming op de praktijk is nodig, zowel binnen als tussen de mbo en hbo opleidingen. Zelf heb ik op school ook meer reflectietijd nodig. We hebben een continurooster. Twee keer per week heb ik vijftien minuten pauze. Dat is voor niemand goed. Via de onderwijsassistenten op school gaat het beter geregeld worden. Dan kunnen we als teamleden even op adem komen.

Al die hippe ditjes en datjes

– Dit jaar heb ik voor het eerst een onderwijsassistent. Op mijn vorige school deed ik in mijn klas alles alleen. En als enkele leerlingen taken deden buiten mijn lokaal, dan gaf me dat het gevoel dat die leerlingen iets misten. En ik miste op mijn beurt die leerlingen. Nu heb ik een onderwijsassistent. Ze heeft een universitaire achtergrond. Dit jaar zoeken we samen uit hoe we prettig en effectief kunnen samenwerken. Het gaat goed. Ik ben als leraar voor de groep voortdurend aan het uitleggen. Zij ondersteunt mij en de leerlingen waar ze kan. Ze is snel in het oppikken van wat nodig is. Op zo’n samenwerking moet je eigenlijk tijdens je opleiding al worden voorbereid. We zijn goed bezig. Maar er is geen rust.

– Op iedere basisschool moeten leerlingen de basis leren. Dus zou je bezig moeten zijn met de basis. Dat is nu niet het geval. Al die feesten en partijen en dingetjes die op school moeten gebeuren. Al die hippe ditjes en datjes. Carnaval? Schoolreisjes? Uitstapje naar de Beekse Bergen? Ze gaan al naar de Beekse Bergen, denk ik dan. Ze gaan al naar de Efteling. Ze gaan al naar zee. Dat doen ze met hun familie. Met hun ouders.

– We moeten op school bezig zijn met de kern. Er wordt toch onderzoek naar het onderwijs gedaan? Er zijn toch voldoende rapporten waarin staat hoe slecht het al jarenlang gaat? Als leraren zo schaars worden, waarom focussen we dan niet op de kern van het onderwijs? In plaats daarvan moet je bezig met dingen die met kennis niets te maken hebben. We verdoen veel te veel tijd met niet-nuttige dingen. De leerlingen moeten de basis goed kennen: de kernvakken.

Werken met heldere doelen, zonder franje

– De onderwijskwaliteit moet omhoog. Je moet van je leerlingen weten wie waar zit. Van allemaal. Je moet je focussen. De kern in de gaten blijven houden. Samen met je onderwijsassistententeam moet je data-gestuurd gaan werken. Als ons dat lukt, dan maakt het ook minder uit of er dertig of vijftig leerlingen zijn voor wie je verantwoordelijk bent.

– Voor leerlingen is het leerzaam als ze ontdekken dat leren niet altijd leuk hoeft te zijn. Neem onze saaie rekenmethode. Die leert je concepten. Plus-sommen. Min-sommen. Eerst de plus-sommen. Die ga je oefenen. Droge stof. ’s Morgens een half uur en ’s middags nog een half uur. Gaat het goed dan ga je morgen een stapje verder. Lukt het nog niet helemaal, dan ga je er morgen nog eens mee bezig: tot je de sommen door hebt. En we herhalen. En daarna herhalen we nog een keer. Logisch. Kennis moet je aanbrengen en herhalen, want kennis zakt weg. Leerlingen wennen aan deze herhaling in de rekenmethode. Het is voorspelbaar. Het is effectief. Volgende week beginnen we met de min-sommen. Saai, zeggen sommige collega’s. Die vinden dat onderwijs leuk moet zijn.

– We moeten leren werken met heldere doelen. Zonder franje.

Duidelijk en effectief

– Wat je in het primair onderwijs aan taal moet leren kun je overdragen in één jaar tijd. Met een goede methode. Commerciële methodemakers kunnen het effectief aanleren van taal goed op papier zetten. Ze weten echt wel hoe dat moet. Ze kunnen zeggen: Kijk. Hier is het. Dit is onderzocht. Zo leer je het aan. Veel succes.

– Maar dat doen ze niet. In de methodes die ze in plaats daarvan aanbieden zit dertig procent opvulling. Lesjes die er mooi uitzien. Vulling waar mijn leerlingen niets van leren. Onzin die tijd kost. Ik zie methodes die opgeleukt worden met lesjes zonder toegevoegde waarde. Moet onderwijs leuk zijn? Volgens mij moet het effectief zijn. Onze extreem saaie rekenmethode is duidelijk, is effectief. En mijn leerlingen vinden dat fijn.

Ik wil het verschil kunnen maken

– In het onderwijs zie je heel wat mensen kritiekloos de methode volgen. Ze doen wat er staat, denken niet verder, maken zich afhankelijk van die methode. De methode wordt hun waan van de dag. Ze werken de methode helemaal door. Ze reflecteren niet meer. Hoe stellen ze vast wat ze moeten doen? Hoe gaan ze uitval op tijd signaleren? Sturen op data is belangrijk. Als leraar moet je de leerlijnen kennen. Als je die kent kun je veel makkelijker vaststellen op welke manier je je onderwijsassistenten moet inzetten.

– Op de Pabo heb ik geleerd dat de verantwoordelijkheid, het niveau en de status van leraren in Scandinavië hoog is. Daarvan is in Nederland nog geen sprake. Er bestaan binnen teams te grote verschillen. De een geeft les zoals hij het al jaren doet, de volgende heeft de hoop opgegeven, voor een ander is lesgeven een keuze vanuit een sentiment, vanuit emotie.

– Goed onderwijs is een collectieve verantwoordelijkheid. Je moet op school een gedeelde visie hebben, heldere doelen stellen, dezelfde taal spreken, een goede aanspreekcultuur ontwikkelen, met elkaar afspreken wat de kern van je onderwijs is, weten hoe je je doelen planmatig bereikt.

– Heb je dat op een rijtje? Dan moet je dat vastleggen. Heb je dat gedaan? Dan kun je het als professionals in de praktijk gaan brengen. Zet de leraar centraal, hou alle nonsens dingen bij de leraren vandaan, zorg dat alle ruis uit school verdwijnt.

– Ik sta nu zes jaar voor de klas. Ik wil het verschil kunnen maken. Dat kan ik niet in mijn eentje.