In gesprek met een auditor PO
Binnen drie jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.
-Lesgeven aan vijftig leerlingen, geloof ik daarin? Ik hoop niet dat dit het beeld wordt. Er gaat niets boven een vakbekwaam leraar. Er bestaan ook zwakke bevoegde leraren; daarvoor in de plaats kun je beter twee goede onderwijsassistenten hebben.
– Het gaat om een goede leraar met goede onderwijsassistenten. Het gaat om de ruimte om leerlingen een goede leeromgeving aan te bieden. Voor mij is vierentwintig altijd de ideale groepsgrootte geweest. Met vijftig leerlingen in een groep wordt een leerling anoniem. Met zo’n grote groep kun je wel colleges geven of gezamenlijk naar een film kijken, maar een effectieve instructie of verwerking van een les vereist kleinere groepen.
De leraar is de regisseur van elke les
– Het realiseren van een goede educatieve setting gaat niet in een groep met vijftig leerlingen. Een elftal, om samen te sporten, is getalsmatig geen toeval. In het primair onderwijs vormt zich dat door een groep jongens en een groep meisjes. Kinderen willen op school vrienden maken. Je wordt lid van een groep, of verlaat de groep weer. Zo’n groep kun je vergelijken met een roedel honden of wolven. De leraar is de leider van zo’n roedel. Een roedel van vijftig is te groot. Uit zo’n grote roedel zal altijd een tweede groep ontstaan.
– Een klas is een kleine sociale setting. Die is nodig om samen te leren. In een klas heb je vaak twee elftallen; om met elkaar te kunnen praten en naar elkaar te luisteren. In die setting heb je de veiligheid en de ruimte nodig om vragen te stellen, en om als leerling aan het denken gezet te worden. De leraar houdt zich bezig met breindidactiek; door vragen te stellen wordt het brein van een leerling in werking gezet.
Ontspannen, veilig in een aantrekkelijk lokaal
– Een belangrijk didactisch instrument hierbij is het onderwijsgesprek. Voor mij is onderwijs een positieve en acceptabele vorm van manipulatie, die zich richt op het ontwikkelen van bepaalde denk en leerstrategieën bij leerlingen.
– Je wilt als leerling ontspannen en veilig in een aantrekkelijk ingericht lokaal zitten. Het moet er schoon en netjes zijn, er mogen wat mij betreft veel planten staan en het digibord moet goed werken. De leraar is de regisseur van elke les. De leraar bepaalt het aanbod en de werkvormen. Daarnaast bepaalt de leraar op welke manier er in de feedbackfase van de les gereflecteerd wordt. De rol van de onderwijsassistent of leraarondersteuner kan daarbij heel verschillend zijn. De visie op en over het nut van co-teaching is de afgelopen jaren in Nederland veranderd.
– In Nederland moest een leraar zichzelf vaak in zijn eentje zien te redden in de klas. In andere landen, zoals België of Groot Brittannië is dat al jaren anders. Als leraar in een groep met dertig leerlingen of meer had ik ‘met één hoofd en twee handen’ vaak het gevoel tekort te schieten. Sinds 2015 geldt de Wet op Passend Onderwijs en moeten scholen meer inclusief zijn. Het is fijn dat er voor bepaalde leerlingen met leer- of gedragsproblemen, of met een specifieke zorgbehoefte, extra handen in de klas aanwezig zijn.
Trauma’s en gedragsproblemen
– In het regulier onderwijs komen steeds meer leerlingen met een handicap of belemmering. Ook groeit, naar mijn inschatting, de groep leerlingen met een trauma. Verder hebben we steeds meer kinderen van de ouders van de ‘doe-maar-generatie’ op school. Deze groter wordende groep leerlingen heeft thuis onvoldoende opvoeding of discipline meegekregen. Zij hebben moeite met impulsbeheersing, omgaan met fouten en falen en hebben veel moeite om door te zetten. Alles moet vooral ‘leuk’ zijn. Deze leerlingen vertonen ook gedragsproblemen, trekken zich terug of worden opstandig.
– De leraar heeft als pedagoog of didacticus voor de begeleiding van deze drie verschillende categorieën leerlingen wel een soort ‘achterwacht’ nodig. Onderwijsassistenten zijn dan ook steeds belangrijker bij de ondersteuning en begeleiding van de leerlingen.
Het tekort wordt nijpend
– Uit eigen ervaring weet ik ook wat het is wanneer een kleuter in de groep met een volle poepbroek verschijnt. Dan komt een leraar zeker handen tekort. Zo’n leerling helpen, betekent je groep even alleen moeten laten. Bij leerlingen met psychische of psychiatrische problemen heb je als leraar ook extra hulp en ondersteuning nodig in de klas. Dankzij de NPO-gelden is er rond scholen een flexibele schil van onderwijsassistenten ontstaan. Ze zijn niet alleen de ‘extra handen’ in de klas, ze worden bij ziekte van de leraar steeds vaker voor de klas gezet. Dit zorgt ervoor dat kinderen niet naar huis worden gestuurd. Onderwijsassistenten hebben we ook nodig omdat het onderwijs complexer en het lerarentekort nijpend is.
– Na de tweede wereldoorlog hadden we natuurlijk ook veel leerlingen met problemen en trauma’s in de klas. Maar toen lag het tempo van het onderwijs lager en werden leerlingen gedrild. Gehoorzaamheid en vlijt waren de belangrijkste deugden. Dat drillen op school werd toen algemeen geaccepteerd. Dat drillen van een groep is tegenwoordig onmogelijk. De mentale ondersteuning van leerlingen wordt steeds belangrijker. Je ziet op steeds meer scholen kindercoaches verschijnen. Nederland is, als je het vergelijkt met andere landen, erg goed in het ondersteunen van kwetsbare of achterblijvende leerlingen. Het bieden van de juiste ondersteuning aan meer- en hoogbegaafde leerlingen gaat ons minder goed af.
Rust, reinheid en regelmaat
– Onderwijsassistenten kunnen we als co-teacher heel effectief inzetten bij het differentiëren, het geven van na-instructie of feedback, het voeren van dialoog in een subgroepje of bij het inoefenen van bepaalde vaardigheden. Bij het zelfstandig verwerken van de leerstof hebben leerlingen, in hun educatieve setting ook de nodige rust, reinheid en regelmaat nodig. Zonder die voorwaarden gaat het brein van de leerlingen niet werken. Niet alle onderwijsassistenten zijn natuurlijk even vaardig, maar je kunt door goed samen te werken tezamen wel voor zo’n inspirerende leeromgeving zorgen.
– De afgelopen veertig jaar is de werkdruk in het onderwijs toegenomen. Denk aan de invoering van passend onderwijs. Denk aan de toename van het aantal anderstalige leerlingen. De basis voor de samenwerking van leraar en onderwijsassistent is vertrouwen.
– Welke ondersteuning verlang je als leraar van je onderwijsassistent? Spullen klaar zetten? Opruimen na schooltijd? Jassen aantrekken, veters strikken? Een hulpverlenende rol? Ondersteunen en begeleiden? Remediale taken? Werk van leerlingen nakijken? Daar moet je over nadenken. Hoe zet je die extra kracht in? Ik zie soms onderwijsassistenten die er werkloos bij zitten. Afwachtend. Ze moeten het werk wel zien. Erbij hangen, zie ik ook.
Vakbekwaam worden betekent nascholen
– Onderwijsassistenten kunnen ondersteunen bij werkjes, bij technisch lezen. Je kunt ze betrekken bij pre-teaching. Ze kunnen remediale taken uitvoeren. Ze kunnen helpen met het maken van kilometers bij het lezen of het aanleren van de tafels.
– Ik vraag tijdens een audit onderwijsassistenten altijd hoe ze op hun scholen worden ingezet. Vaak is dat buiten de klas. Ze werken op het studieplein, in de gang, de personeelskamer of in een speciale ruimte. Maar je kunt onderwijsassistenten ook in de klas inzetten. Leraar en onderwijs-assistent kunnen complementair aan elkaar werken of samen gelijktijdig begeleiden; ondersteunen als de klas in groepjes wordt gesplitst.
– Laatst hoorde ik tijdens een audit dat de onderwijsassistent de handelingsplannen schreef, maar niet werd betrokken bij de evaluatie ervan. Dat lijkt me niet de bedoeling. De leraar heeft de regierol en moet die ook vasthouden. De onderwijsassistent stemt het handelen daarop af. De leraar is ‘kapitein’ van de klas en bepaalt de didactiek, de organisatie en de uitvoering. De leraar regelt de onderlinge taakverdeling met de onderwijsassistent en draagt altijd de eindverantwoordelijkheid voor de les en de klas.
Delegeren en een team aansturen
– Een leraar heeft tijdens de opleiding meestal niet geleerd te delegeren of een team van onderwijsassistenten aan de sturen. Op dat vlak vakbekwaam worden betekent nascholen.
– Voorbereiden en evalueren van lessen doet de leraar tezamen met de onderwijsassistent; een project opzetten doe je samen en ook de risico-leerlingen bespreek je samen. Dan zorg je er ook voor dat de onderwijsassistent niet bij de laatste bel het plein op loopt en direct op de fiets stapt.
– De inzet van onderwijsassistenten vergt een goede schoolorganisatie en een goede pedagogische structuur. Van iedere leraar verwacht ik dat deze de didactiek uit het hoofd toepast. Het is waardevol als de leraar een goed verteller is. En het is belangrijk dat de leraar zich herinneren kan hoe het was om in als leerling onderschat te worden, er buiten te staan, te falen.
– De intern begeleider hoor je tot nu niet in mijn verhaal. Veel intern begeleiders richten zich nu nog vooral op leerlingen, ouders en keten-partners. In de toekomst worden ze meer ‘kwaliteitscoördinatoren’ en richten ze hun aandacht meer op onderwijskundige zaken en op leraren.
Kenners kijken anders
Door een tekort aan directeuren in het primair onderwijs, zie je mensen in het onderwijs verschijnen die ooit, in een andere bedrijfstak, een team hebben aangestuurd. Bijvoorbeeld bij een grote bank of verzekeringskantoor. Dan moet zo’n school ook te doen zijn, denken ze. Maar ze hebben van onderwijskundige zaken natuurlijk alleen verstand omdat ze zelf op school hebben gezeten en kinderen in de basisschoolleeftijd hebben.
– Louis van Gaal kijkt, als een coach, op een zeer speciale wijze naar voetbal. Hij kijkt anders dan ik doe, als supporter. Kenners kijken anders. Kenners zien andere structuren en processen. Van Gaal ziet veel meer dan een sportjournalist. ‘Ben jij nou zo dom, of ben ik nou zo slim’, vraagt hij aan een journalist. Voetbalcoach zijn is een vak. Onderwijskundig leider zijn is dat ook. Bij een directeur van buiten het onderwijs vraag ik me af of die het team de juiste onderwijskundige aanwijzingen kan geven.
– De directeur en de kwaliteitscoördinator moeten zich vooral richten op leraren; op hun pedagogisch, didactisch en vakinhoudelijk handelen. Het onderwijs was de afgelopen jaren eenzijdig op het kind gericht. De orthopedagogen kwamen in de scholen; die konden goede analyses schrijven en goede diagnoses stellen, maar hadden vaak geen enkele kennis van didactische of vakinhoudelijke zaken. Laat staan van klassenmanagement in een groep met dertig leerlingen. Lesgeven is een vak, didactiek is een kunst.
Schrijf op wat je gaat doen
– Een goede intern begeleider begrijpt dat. Die kan de leraar coachen bij het geven van extra ondersteuning en begeleiding aan leerlingen in de klas. Hoe doe je dat? Wat heeft die leerling nodig? Hoe kunnen we dat op school regelen? De intern begeleider leeft zich in in de positie van de leraar voor de klas; die heeft ook maar één hoofd en twee handen. Tijdens de audit vraag ik vaak: Wat is het kernprobleem van deze leerling? Of, voor wie is dit nu een probleem? Voor de leerling of de leraar? Welke acties gaat de leraar de komende weken doen? Geen intenties op schrijven, maar gewoon opschrijven wat je gaat doen en een onderwijsassistent kan met een praktisch uitgewerkt plan ook aan de slag.
– Nog even terug naar die vijftig leerlingen. De leraar is hoofd van een roedel die een leergemeenschap is. Een school is geen leerfabriek. Voor kinderen tot twaalf jaar is de sociale setting belangrijk. Heb je vierentwintig leerlingen? Dan mag je niet klagen en moet je aan de slag. Kom je onder de twaalf leerlingen, dan wordt zo’n sociale setting rommelig en informeel, dan wordt zo’n groep meer een grote huishouding.
Een grote bijdrage van de onderwijsassistent
– Ik heb jaren op een kleine school gewerkt en één jaar lang had ik negen leerlingen in de klas; het waren de groepen 5, 6, 7 en 8. Groep 5 was Wim. Dan lukt het niet meer om beurten te geven, maar geldt de regel: Wie het hardst roept, wordt het eerst geholpen. Sociale processen verlopen dan heel anders dan in een grotere groep. Ik zie een sociale setting, als Dewey, Freinet of het Jenaplanonderwijs als een belangrijke voorwaarde tot leren.
– In mijn werk als auditor maak ik veel kwetsbare kinderen mee. Vaak weet ik bij een lesobservatie binnen zes minuten waar die leerlingen zitten. Zes minuten zijn ook voldoende om de setting van de klas te herkennen: Rusteloze leerlingen, leerlingen die wachten, leerlingen die zich vervelen of loeren op een geintje.
Is het een fijne omgeving?
– Ik wil tijdens zo’n lesobservatie de bedoeling van de les weten. Ik wil betrokkenheid bij leerlingen zien en effectief en efficiënt klassen-management. Hoe heeft hij het lokaal ingericht, zijn de kasten dicht of open, is de aankleding kleurig of juist prikkelarm, past de inrichting bij deze groep leerlingen? Hangen de leerlingen op de stoelen of zitten ze rechtop? Werken ze alleen of in twee- of viertallen? Moet de leerling de boeken inleveren of mag hij ze bij zich houden? Staan er planten, of dieren, hoe wordt daar voor gezorgd? Is het een fijne omgeving voor een roedel? Is de sfeer ontspannen, wordt er wel genoeg gelachen?
– In elke klas zouden deze aspecten aanwezig moeten zijn. En bij het creëren van zo’n sociale educatieve setting kan een onderwijsassistent een hele grote bijdrage leveren.