In gesprek met een onderwijsassistent PO
Over vier jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.
– We hebben een kleine school, met relatief kleine groepen. De grootste groep telt tweeëntwintig leerlingen. Omdat de school klein is delen we onze directeur en intern begeleider met andere scholen.
De wijk is een achterstandswijk geworden
– Als ik tijdens het weekend of in een vakantie even langs de school ga, komen er leerlingen op me af die op het plein aan het spelen zijn. Juf we willen weer naar school, vertellen ze. Veel van onze leerlingen worden thuis nauwelijks opgevoed. Er wordt weinig met hen gedaan. Ze hebben een hekel aan schoolvakanties. De wijk is een achterstandswijk geworden.
– Eerder werkte ik als leraar in de onderbouw. Sinds drie jaar werk ik twintig uur als onderwijsassistent. De uren worden verdeeld over vier dagen. Voor mij persoonlijk begon het administratieve deel van mijn werk zwaarder te wegen. De groepsplannen. De handelingsplannen. Ook het gedragsmatige aspect van mijn werk werd zwaarder. Het is een school waar je het een en ander meemaakt. De omschakeling naar onderwijsassistent is voor mijn gevoel geslaagd. Het plezier is gebleven. Ik ben nog steeds met leerlingen bezig. Ik heb geen slapeloze nachten meer. Ik ga naar huis en hoef voor mijn werk niets meer te doen.
Spreek elkaar aan
– Ik werk voor vier collega’s die me groepjes leerlingen toewijzen. Mijn bijdrage is gericht op lezen, taal, rekenen. Van elk groepje dat ik les geef, houd ik pedagogische en didactische aantekeningen bij in een schrift dat daarvoor bestemd is. Het schrift ligt in mijn werkruimte, dat hebben we afgesproken. Mijn indruk is dat van de vier collega’s er een is die mijn aantekeningen regelmatig leest en van me aanneemt. Ze deelt ook haar eigen observaties. De anderen doen dat niet. Waarom niet? Ik denk dat ze het daar te druk voor hebben. Maar ik denk ook wel eens dat ze minder bewust voor het vak van leraar hebben gekozen dan ik zelf ooit deed. Ze staan er wat makkelijk tegenover, denk ik soms. Waar ze wel voor open staan is de trend dat in het onderwijs alles leuk en gezellig moet zijn.
– Hoe ik daarover denk? Zorg dat je werk voor elkaar is. Spreek elkaar aan.
Eerder afwerend dan open
– Onze directeur houdt ons als team voor dat we tegenover elkaar alles moeten uitspreken. Voor een aantal collega’s valt dat niet mee. Ze spreken niet uit wat ze ervaren en denken. Tenminste, lang niet alles. Ook hebben veel collega’s moeite om een eenvoudige kritische opmerking van een ander te verwerken.
– De houding tegenover elkaar is eerder afwerend dan open. Dat is niet optimaal. In de praktijk zie ik die afstand terug. Zoals het nu is, komt een vruchtbare uitwisseling van organisatorische, didactische en pedagogische tips niet tot stand.
– Als onderwijsassistent woon ik geen teamvergaderingen bij. Studiedagen wel. Die zijn verplicht. Daar wordt toekomstgericht gesproken. Daar kunnen mijn collega en ik als onderwijsassistenten meepraten. Tijdens de start-vergadering van een nieuw schooljaar zijn we er ook bij. Maar al voor de vakantie en voorafgaand aan de startvergadering zijn er werkmomenten waarop leraren vaststellen wie, waarom, welke ondersteuning nodig heeft. Die plannen worden mondeling met ons gedeeld, maar niet schriftelijk en planmatig.
Zie goede gesprekken als vanzelfsprekend
– Zelf zie ik goede gesprekken tussen leraar en onderwijsassistent over de leerlingen, hun houding, hun prestaties als vanzelfsprekend. Als je dat doet kun je samen goede afspraken maken. Maar wat krijg ik op papier? Een rooster. Zonder kind-specifieke observatievragen. Dus heel globaal en niet overdraagbaar aan een invaller.
– Vreemd dat je een onderwijsassistent niet vraagt wat er aan leerlingen opvalt.
– Drie jaar geleden werd ik onderwijsassistent. Na zo’n dertig jaar werken als leraar. In gesprek met de personeelsfunctionaris kreeg ik te horen: Denk erom, je mag je nergens mee bemoeien. Afstand bewaren kan ik goed. Ik loop een leraar niet voor de voeten. Toch is het in feite onvoorstelbaar: Een onderwijsassistent verdient ruimte om observaties in te brengen.
Een goede methode in de kast – ongebruikt
– Als je over vier jaar werkt met een leraar en drie onderwijsassistenten op vijftig leerlingen, dan moet je dat zorgvuldig inrichten. Liefst met weinig verschillende mensen voor iedere groep. Voor mij en mijn collega zou dat betekenen dat we niet ’s middags thuis zijn, zoals nu. Want bij die invulling zou een leraar twee uur lang met vijftig leerlingen moeten werken. Hoe vul je dat in? De school zal over vier jaar de inzet van de onderwijsassistenten goed moeten plannen. Beter doordacht dan nu.
– Terug naar mijn werk. Er zijn op school veel leerlingen met een beperkt taalbegrip. In veel gezinnen is Nederlands niet de thuistaal. Daarom is er in het verleden een goede woordenschatmethode aangeschaft. Tijdens mijn werk met groepjes valt op dat de leerlingen weliswaar lezen, maar vaak zonder te begrijpen wat ze lezen. Dat is ook moeilijk wanneer je de betekenis van leestekens – hoofdletter, komma, punt – niet kent. Dan wordt het ook moeilijk om op toon te lezen. De woordenschatmethode is in de tussentijd terzijde geschoven. Daarvoor kwam iets in de plaats waar ik geen doordachte lijn in herken. De methode die goed en effectief was, staat nu ongebruikt in de kast.
Je betrokken voelen bij elkaar is belangrijk
– Ik lees met groepjes. Als het boekje bijna uit is, vertel ik dat ze aan een nieuw boekje toe zijn. Dat meld ik ook aan hun leraar. Regelmatig komt het voor dat ze de keer daarop toch weer met het oude boekje bij me binnen stappen. Dat is op te lossen. Doe ik ook. Maar dat kost mij en de leerlingen lestijd. Bij sommige collega’s komt zo’n vergissing nooit voor. Bij anderen steeds opnieuw.
– Het is een kwestie van planning en aandacht.
– Je betrokken voelen bij elkaar en bij de uitvoering van je werk is belangrijk in onze samenwerking als leraar en onderwijsassistent. Onlangs vroeg ik een leraar: Heb je voor mij een handleiding voor de methode, zodat ik het de leerlingen goed en passend kan aanleren? Dat moet ik vragen. Daar word ik niet als vanzelfsprekend in meegenomen. Je hebt als onderwijsassistent tijd, aandacht en duidelijkheid nodig om je taken uit te voeren.
Ik kan toch niet zomaar wat doen?
– Van een andere collega kreeg ik te horen: doe bij rekenen maar iets met klokkijken. Onverwacht en zonder verdere specificatie. Ja, wacht, denk ik dan. Doe iets met klokkijken? Dat is vaag. Bedoel je digitaal klokkijken? Analoog? Uren, halve uren, tien voor, tien over? Minuten, seconden? Maak het kleiner voor je onderwijsassistent. Maak het specifieker. Maak het werkbaar. Heb je er wel over nagedacht? Waar moet ik me met je leerlingen op richten? Welke voorkennis is bij hen aanwezig? Ik kan toch niet zo maar wat doen? Wat is je vraag precies?
– Het komt per schooljaar ook te vaak voor dat groepjes niet opdagen. Dan is er een gastles die ze niet mogen missen. Die gastles is bekend in het jaarrooster. Daar worden we als onderwijsassistenten niet in meegenomen, dus lopen we nogal eens achter de feiten aan. Voor een goede samenwerking is het beter de jaarplanning kleiner te maken. Voorkom die verrassingen. Biedt onderwijsassistenten een maandrooster, weekrooster, werkdagrooster aan.
Negatief en afwerend gedrag
– Heb je iets zinvols voor me bedacht als een groepje uitvalt? Nee, daar is niet aan gedacht. Ik voel me heus niet te goed om een afwasmachine in te ruimen, maar dat lijkt me niet de juiste invulling van tijd die voor leerlingen bestemd is. Op dit moment is 15% van mijn werktijd niet effectief.
– De directeur zet sterk in op de kernvakken. Niet vreemd omdat de school daar op wordt afgerekend. Veel minder aandacht gaat er naar het gedrag van leerlingen. Op deze school is dat bij kleuters soms al negatief en afwerend. We hebben ook te maken met ouders die geen moeite doen om naar een rapportbespreking of informatieavond te komen.
De sfeer van de wijk dringt de school binnen
– Kernvakken aanbieden in deze omstandigheden is niet altijd eenvoudig. Soms moet je eerst aan een gevoel van veiligheid werken voor je leerlingen cognitief kunt bereiken. De afwerende houding van sommige leerlingen is voor collega’s soms een struikelblok. Na een half jaar zien we mensen hier vastlopen. Ik vraag me af of nieuwe collega’s vooraf voldoende informatie krijgen.
– Mijn collega onderwijsassistent en ik werken vier halve dagen. Leerlingen op onze school leren ’s ochtends het meest. Dan worden de kernvakken aangeboden. Beiden zijn we iedere middag vrij. Al drie jaar geef ik bij mijn werkgever aan dat ik graag zie dat mijn uren verdeeld worden over drie dagen. Het probleem voor mijn directeur is, dat ze niet voor zich ziet wat ik op middagen met leerlingen zou moeten doen.
– We zijn een school in een achterstandswijk waar veel leraren en invallers niet willen werken. De sfeer van deze wijk dringt de school binnen. In dat klimaat kunnen leerlingen en leraren niet het beste uit zichzelf halen. De kennisoverdracht staat onder druk. Het contact met ouders ook. Dat heeft de directeur overvallen, denk ik.
Ouders en leerlingen hebben de school hard nodig
– Het is geen school waar je graag naar toe wilt. Hier zouden de relationele en pedagogische aspecten verder ontwikkeld kunnen worden. Je zou kunnen investeren in een betere omgang met complexe leerlingen. We zouden ons ook beter in ouders kunnen verplaatsen. Ze zijn niet allemaal hetzelfde. Ze zijn allemaal anders. Net als hun kinderen.
– En allemaal hebben ze deze school hard nodig.
Onderwijs draait om jou en mij
– Sommige collega’s vinden het zetten van zulke stappen richting leerlingen en ouders zo ingewikkeld, dat hun opvatting dat de school leuk en gezellig moet zijn, verdwijnt. Dan wordt het werk zo persoonlijk, zeggen ze tegen me. Wat had je dan verwacht, vraag ik dan: Onderwijs draait om mensen, om jou als persoon, en om mij!
– Voor mijn gevoel is er voor een onderwijsassistent op deze school nog heel wat te doen