In gesprek met 1 bestuurder en 2 directeuren PO
Over vier jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.
– Niet heel Nederland wordt nu al geconfronteerd met die realiteit, maar als het om een gebrek aan bevoegde leraren gaat, hoeven wij geen vier jaar te wachten. Het gebrek aan bevoegde leraren speelt al bij ons. We werken nog niet overal met onderwijsassistenten.
Allerlei hypes en een duikvlucht
– Mijn inzet als directeur moet zijn: De staat van het onderwijs. Mijn vraag: Hoe sta je borg voor goed onderwijs? In Nederland zijn we al tien jaar het onderwijs anders aan het doen. Spelend leren, bewegend leren, op leerpleinen leren, allerlei hypes. We hebben het onderwijs leuker willen maken. En nu krijgen we in de gaten dat onze opbrengsten, in vergelijking met omringende landen, een duikvlucht genomen hebben.
– Wat we nu minder doen dan daarvoor? Instructie, kennisoverdracht en daarna oefenen, oefenen, oefenen. De leuke dingen verdrongen het schools oefenen en herhalen. De focus die er tien jaar geleden nog was, is er vanaf gegaan. De zogenaamde leuke dingen verdringen het oefenen nog steeds. Leerlingen moeten leren, oefenen en herhalen om kennis te laten beklijven. De hoge verwachtingen van ooit, zijn nu minder hoog. Dat geldt ook voor het gedrag dat je bij leerlingen ziet. De bel? De rijen op het plein? En dan rustig naar binnen? Wat daarvoor in de plaats gekomen is: Dringen om naar binnen te komen en dan door de gangen apenkooien tot je op je stoel zit.
Kan een computer dit overnemen? Nee
– Zo’n aanbod met instructie, kennisoverdracht en kennis herhalen, omdat het anders wegzakt, daarvoor hebben we bevoegde leraren nodig. Kan een computer dat overnemen? Nee, want een computer kijkt niet naar de interactie van de leerling met de leerstof. En een computer kan ook niet gelijktijdig de interactie in de groep in de gaten houden, zoals een bekwame leraar dat kan.
– Na de instructie en het zetten van stappen in kennisontwikkeling, kan het inoefenen van de leerstof in handen van een onderwijsassistent worden gegeven. Het is leuk om met onderwijsassistenten te werken. Dat hebben we zelf als leraar zo ervaren. Samen rustig afstemmen en afspreken wie wat doet. Dat werkt goed.
Hoe wil je de samenwerking aanpakken?
– Ook leuk aan het samenwerken met onderwijsassistenten, is het omgaan met hun onderlinge verschillen. Want dat brengen ze wel met zich mee. Je moet eerst tijd voor ze maken en ze leren kennen, eerder kun je niet samen afstemmen en afspreken.
– We werken nog niet met onderwijsassistenten. De leraren zijn er nog niet op voorbereid. Als directeur kun je dat, door met leraren te bespreken wat ze verwachten, en zo aan verwachtingsmanagement doen. Hoe wil je de samenwerking aanpakken? Welke taakverdeling heb je voor ogen? In die benadering kan de leraar van zichzelf uitgaan.
– Ben je er goed op voorbereid, dan haal je meer uit de samenwerking.
Sluit aan bij de verschillen
– Een andere benadering: Onderwijsassistenten ruimte bieden om zichzelf te ontwikkelen. Dan sluit je aan bij de grote verschillen die je aantreft bij de uitstroom van MBO niveau 4. Dan ga je gesprekken voeren die gericht zijn op iemands persoonlijke, gewenste ontwikkeling. Wie ben je? Wat wil je? Wat kun je? Waar ben je goed in? Wat kan ik betekenen? Door zulke gesprekken kun je aansluiten bij de ambitie van de onderwijsassistent. Misschien wil jouw onderwijsassistent in de toekomst wel je collega worden. Dan kun je daar iemand in begeleiden.
– Op die begeleiding mag een leraar al op de Pabo voorbereid worden. Want dat vraagt wel het een en ander. Sta je eenmaal goed afgestemd samen voor een groep, dan straal je dat ook uit. De leerlingen herkennen die uitstraling en geven niet echt om de onderliggende hiërarchie. Toen ik nog leraar was, is samenwerken met onderwijsassistenten altijd een positieve ervaring geweest.
Laat assistenten niet verloren achterin het lokaal zitten
– Het is belangrijk om onderwijsassistenten en stagiairs functioneel in te zetten. Ik zie, als ik door een school loop, soms hoe ze verloren achterin een lokaal zitten. Met hun blocnote en smartphone. De hele dag op een stoel.
– Tegelijk geldt dat je ze niet in het diepe mag gooien. Al heb je ze nog zo hard nodig. Je kunt veel plezier hebben van je onderwijsassistenten, later, maar gun ze eerst hun inwerktijd. Zelf zijn we ook beginners geweest. Vergeet niet hoeveel indruk de eerste weken op een school op iemand kunnen maken. Je ziet hun verbazing en ontzag. Ze zijn vaak nog erg jong.
Zet de mannen goed neer of ze haken af
– We hebben de onderwijsassistenten en de lerarenondersteuners met een tweejarige HBO hard nodig. Denk aan de jongens en mannen die nu een opleiding volgen. Als je die niet goed neerzet, haken ze af. Binnen onze stichting zouden we dit goed kunnen afstemmen. Een begeleidingsaanbod voor deze nieuwe collega’s hoort daar bij.
– Ik vind het prettig om als directeur de stagiairs en onderwijsassistenten overal in mee te nemen. Ze zijn er om te leren. Je herkent al snel de aanpakkers, die kun je kansen bieden. Sommigen kunnen onder supervisie al snel een groep draaien. Een dag per week. Daar kun je alle ouders, door hen tijdig te informeren, ook in meenemen. De wil, de potentie en goede begeleiding moeten aanwezig zijn, maar dan kan het snel gaan. In ieders voordeel.
Let op dat niemand afstand uitzendt
– Straks hebben we minder leraren. Dat is een feit. Onze ervaren leraren met HBO opleiding, moeten samenwerken met onderwijsassistenten en pedagogisch medewerkers, die een MBO achtergrond hebben. Dat zijn de nieuwe collega’s die de school iets extra’s bieden. Dus moet je opletten dat niemand, ook al is het onbewust, een afstand uitzendt.
– Binnen mijn IKC ving ik op: Die-en-die van de BSO heeft dat-en-dat niet opgeruimd. Met degene die zich zo uitdrukt ga ik een gesprek aan. Want je spreekt over een collega. Dat is ook mijn collega. Is er iets niet opgeruimd? Daar kun je iets over zeggen. Op de juiste toon en op de juiste plaats. En dat is niet: Die-en-die. En ook niet: Wij-en-zij. Binnen een IKC werken je samen.
Ga jij het plein vegen? Daar staat de bezem
– We zijn aangewezen op een nauwe samenwerking met de buitenschoolse opvang. Die collega’s wil ik meer bij de school te betrekken. Het werk dat we verrichten is aanvullend; we doen het met elkaar. We moeten ons betrokken voelen bij elkaars ontwikkeling. Door niet over hun deel van de samenwerking heen te kijken, ontdek je hoe goed ze zijn in wat ze doen.
– Ga jij het plein vegen? Daar staat de bezem. Dat kreeg ik als Pabo-stagiaire op een school te horen. Wat is dit hier, vroeg ik me af. Je wilt je thuis voelen in een team. Je wilt er deel van uitmaken. Je hebt nodig dat er respectvol met je wordt omgegaan.
– Op een andere school waren in de teamkamer niet voldoende stoelen voor iedereen. Krukjes waren er wel. Daar moest je als stagiaire op zitten. Je hoorde niet op een stoel te zitten. Ook niet als er lege stoelen waren.
Een plek binnen de gevestigde orde
– Je moet als stagiair, als onderwijsassistent, welkom zijn. Je moet als nieuwkomer op een school fouten mogen maken. Je moet durven en doen, zodat je daarvan leert. Je moet je plek vinden binnen de gevestigde orde en daarover in gesprek blijven. Je positie moet duidelijk zijn.
– In het onderwijs zie je dat feedback geven en ontvangen vaak ingewikkeld wordt gevonden. Daarom zijn op de werkvloer zowel taakduidelijkheid als een heldere gedragscultuur belangrijk. Het moet duidelijk zijn wie de knopen doorhakt. Als directeur is het mijn school, zijn het mijn verantwoordelijkheden.
– De echte kwestie is: Hoe geef jij vorm aan jouw rol als baas.
Rust scheppen
– Door respectvol met derden om te gaan laat je het inzicht groeien, dat je binnen een school, binnen een IKC, elkaar nodig hebt. Diversiteit zit in de rollen. Gelijkwaardigheid zit in de mensen. Ontstaat die duidelijkheid, dan schept dat rust. Hoe meer duidelijkheid, hoe meer rust in je hoofd.
– Zo werkt het ook in de hoofden van leerlingen. Daar spreek ik over met mijn teamleden. Hoe werkt leren? Wat heb je daar als leerling voor nodig? Wat weten we daarvan? Waar vind je de wetenschappelijke onderbouwing?
– De maatschappij vraagt naar het waarom. Dus moeten onze antwoorden goed doordacht zijn. Met een goede onderbouwing wordt communicatie betekenisvol. Leer je als team betekenisvol communiceren, dan ben je veel minder afhankelijk van de aanwezigheid en persoonlijkheid van je directeur.
– Op basis van goede communicatie komt de trein van goed overleg op gang.
Een omslag is gaande
– Als directeur van een nieuw IKC wil ik kaders neerzetten die helder zijn. Zodat ieder zich betrokken voelt om input te leveren. Het IKC moet voor de wijk de uitkomst zijn van een goede samenwerking. Het is logisch om samen te werken. Als school en kinderopvang horen we bij elkaar. We werken met dezelfde kinderen. We voeren ontwikkel-gesprekken, we geven elkaar input, we geven elkaar een podium, we zoeken een gezamenlijke taal zodat een wij-gevoel kan ontstaan.
– Die omslag is gaande. Dat zie ik als iemand terugkomt na weken van afwezigheid en zegt: Ja, maar dat doen we toch niet zo, dat deden we toch altijd anders?
– Die kant gaan we op. De kaders veranderen. En ook de toon.