06 24 258 248 bobmaassneek@gmail.com
Selecteer een pagina

In gesprek met een ambulant pedagoog PO en SBO

Binnen drie jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.

– Het moet beter. Daar ben ik het zeker mee eens. Ik denk dat er een hele verbetering zou plaatsvinden als de leraar meer zou openstaan, meer zou vertrouwen op de kennis van derden. Waar ik als ambulant begeleider tegenaan loop, is dat veel leraren graag vasthouden aan hun eigen manier van werken.

– Ze weten hoe het moet en zal gaan. Lukt dat niet? Dan lopen ze vast. En vaak lukt het niet. Want ieder kind is anders. En ieder kind heeft een andere benadering nodig. Dat geldt ook voor wie binnen een school als duo werkt: De ander doet het anders. En dat is lastig. Het komt dus voor dat ik door een leraar of intern begeleider wordt teruggefloten. Omdat ik het niet op hun manier doen.

Ruimte voor expertise

– Wij zitten duidelijk niet op één lijn, krijg ik dan te horen.

– Ik ben een professional in de zorg. Speciaal ingevlogen omdat het met een leerling in de klas niet werkt. Ik handel volgens de richtlijnen van mijn werkgever. Maar er wordt verlangd dat ik werk volgens de protocollen van de school.

– De school heeft moeite om de leerling voor wie ik gekomen ben aan me toe te vertrouwen. Als hij scheldt – wat hij doet – krijgt hij strafregels. Want zo praat je niet tegen een leraar. Dus als hij scheldt moet ik ook strafregels opleggen. Ze komen niet op het idee om me op mijn manier met een leerling te laten werken. De leraar weet niet optimaal gebruik te maken van mijn aanwezigheid. Al komt er rust in de groep, al gaat de werkdruk omlaag; nee, men ergert zich aan mijn aanpak, die afwijkt van het schoolprotocol.

– Omdat ze dat niet loslaten, gaan ze zich met mijn aanpak bemoeien.

Gedrag is altijd interactie

– Het lijkt of ze niet begrijpen waar gedrag van kinderen vandaan komt. Zo’n jongen voelt zich in de klas niet veilig, heeft een zware vorm van autisme, begrijpt de uitleg niet, kan niet met de opdracht aan de slag, reageert zich af met raar gedrag.

– Zijn leraren weten niet wat ze ermee aan moeten. Krijgen geen steun van hun intern begeleider. Als ik kom zijn ze tot op zekere hoogte blij met me. Zo’n leerling wordt rustig. Maar ze hebben commentaar op me. Want mijn methode is niet streng genoeg.

– Bij de leraar mis ik reflectiemomenten: kijken naar het eigen aandeel in de interactie met de leerling. Ook overleg of vragen hoe ik, als individueel begeleider, het in een bepaalde situatie zou aanpakken of vragen om tips gebeurt niet. Terwijl je op de Pabo voortdurend met reflecteren bezig bent.

– Gedrag is altijd interactie. Daar ben ik van overtuigd. Ik zal een voorbeeld geven. Verleden week was het de taak van een jongen om op zijn school de vaatwasser op te ruimen. Daarna terug naar de klas om te rekenen. Hij valt midden in de les en heeft de uitleg gemist. Hij moet aan het werk, maar kan zonder uitleg niet aanhaken. Hij wordt boos. Wordt de klas uitgezet en wil daarna niet terug. De volgende dag ook niet, want de leraar is nog steeds boos.

– De leraar viel over zijn boosheid en scheldwoorden. Dat kan ik begrijpen. Maar naar zichzelf kijken, om van daaruit die leerling weer een kans te geven, is er niet bij.

Erkenning van expert komt niet altijd tot stand

– Er wringt iets. Volgens het schoolprotocol mogen leerlingen niet schelden. Volgens de visie van de school moet de leraar veiligheid bieden. Hierover moet je als professionals met elkaar kunnen spreken. Maar in de praktijk komt een erkenning van mijn expertise niet altijd tot stand.

– Tijdens mijn opleiding tot pedagoog was ik onderwijsassistent. Ik zag op die school onderwijsassistenten in opleiding stage lopen. Het viel me op dat ze zich steeds meer afstemden op de leraren en steeds minder durfden uitgaan van hun eigenheid. In zo’n situatie ben je als stagiair helemaal afhankelijk van de leraar aan wie je bent toegewezen.

– De aanpak van een ander overnemen en toepassen maakt niet dat je goed werk aflevert. Een voorbeeld? Op een school waar een collega van me werkte was nieuw speelgoed voor de zandbak en het plein aangekomen. Omdat het geregend had werd besloten de nieuwe emmertjes, schepjes, loopfietsjes, die dag niet te gebruiken. Omdat ze dan vies zouden worden.

Verspreiden van krampachtigheid

– Het als onderwijsassistent overnemen van zo’n manier van denken, bevordert de verspreiding van een krampachtigheid die je op scholen nogal eens ziet.

– Het vak van leraar is super-intensief. Ik ben niet jaloers op ze. Ik neem mijn pet voor ze af als ik zie met welke problemen ze worden geconfronteerd. En de hoeveelheid problemen waar ze in hun werk voor staan.

– Ik gun ze ontspanning. Durf nu eens los te laten. Ik zie veel stress. Veel stress rond gesprekken met ouders bijvoorbeeld. Zelf vind ik die gesprekken leuk om te doen. Als onderwijsassistent al. Maar dan hoorde ik vanuit mijn functie daar niet bij aan te schuiven. Dat kon niet.

– Veel stress is er ook rond gedrag; het is ook ingewikkeld.

En dat was het: Er was rust

– Er is veel bijzonder gedrag. Een leerkracht heeft niet altijd de tijd en de kennis om erachter te komen wat er onder dit gedrag speelt. Een pedagoog heeft gespreksvaardigheden en kennis om hiernaar op zoek te gaan. Zo is wel gebleken dat een dwars kind juist met grote zorgen zoals geweld en drugs te maken had. Toen ik daarachter was gekomen heb ik hulp in de thuissituatie kunnen inschakelen en leerkrachten kunnen ondersteunen in begeleiding van deze jongen.

– Er kwam begrip en ontroering waardoor met een heel andere blik naar deze jongen werd gekeken. Vanuit het delen van de zorg kon de jongen weer werken aan zijn taken op school en zich beter aan de regels houden.

– En dat was ‘t. Er was rust.

– Wat me drijft is mijn passie. Ik werk ook ambulant in gezinnen. Er is veel waardering voor wat ik kan brengen. Toch wil ik terug naar het onderwijs. Leraren zijn er primair om instructie te geven en kennis over te dragen, maar worden geremd door storend gedrag van leerlingen. Daarom zou een goede match mogelijk moeten zijn tussen wat ik kan betekenen voor leraar, leerling, ouders en school.

– Ik ben nu als het ware op zoek naar die school.

– Meer over mijn praktijk? Ik kom graag met voorbeelden. Er is een meisje met ODD. Dat leidt tot oppositioneel gedrag. Ze kan niet tegen gezag. Dan komt ze in opstand. De ouders moeten daar veel over leren. De school ook. Het meisje zelf ook. Op haar school voor voortgezet speciaal onderwijs moet ze stage lopen. Die stage bevalt haar niet. Ik ben niet gehandicapt, zegt ze boos. Ik word gevraagd naar die school te komen. Om te luisteren en uitleg te geven.

Samen aan tafel

– Kennen jullie ODD? Nee? Daar moet je niet mee strijden, daar moet je mee spelen. We zijn om tafel gaan zitten, hebben samen een plan gemaakt, de school heeft dat plan uitgevoerd. Alles ging supergoed.

– Tot opeens, na de zomer, omdat het zo goed ging, dat meisje de opdracht kreeg om weer volledig naar school te komen. Daarvoor ging ze niet alle dagen naar school. Er was geen overleg met haar geweest. Het ging weer helemaal mis.

– Ik werd teruggevraagd. Jullie hebben je plan veranderd, zei ik. En niet met jullie leerling overlegd. Dat werkt natuurlijk niet. Jullie moeten terug naar het plan. We moeten weer samen om tafel. We hebben een plan gemaakt. De problemen werden opgelost. Het ging opnieuw supergoed.

Jouw gedrag heeft invloed

– Ze dachten dat het gedrag verbeterd was doordat een andere leerling – met een slechte invloed op het gedrag van mijn leerling, naar een andere school was gestuurd. Ik heb ze bewust gemaakt van de invloed van hun eigen werkwijze vanuit een opgesteld plan; door duidelijkheid en ruimte te bieden gaat het met de leerling veel beter. Ze wordt nu niet meer uit de les gestuurd. En ook thuis doet ze het goed. Het gaat goed omdat de omgeving het meisje met ODD tegemoet is gekomen.

– De leraren zagen dat hun eigen gedrag van invloed was op dat meisje.

– Ik ben in mijn tijd als onderwijsassistent ook in kleutergroepen geweest. Daar kon ik makkelijker met leraren overleggen. Die stelden zelf ook wel vragen aan me. Werkend met kleuters is er ook ruimte voor een praatje onder schooltijd. Daar werd ik gezien en mijn inbreng op waarde geschat. Ik werd ook erkend als pedagoog.

– In de kleutergroepen werd ook aan anderen, aan een onderwijsassistent, aan een stagiair, gevraagd wat ze zagen, wat ze beleefden. Het is goed als leraar om in je onderwijsassistent meer te zien dan een uitvoerende kracht. Ze kunnen voor jou als leraar heel verrijkend zijn.

Samenwerking kan ontspanning brengen

– Na de kleuterperiode neemt op school de druk toe. Dan is er maar beperkt tijd voor creativiteit. De toetsen komen er aan. De werkdruk neemt toe. Ik denk dat leraren in midden en bovenbouw blij zouden worden van wat meer creatieve ruimte.

– Ik kan niet goed inschatten of die druk nodig is, maar door leraren wordt het in ieder geval zo ervaren. Je treft het als je een directeur hebt die in deze tijd wat aandacht verlegd naar het kind, en minder op de toets-cultuur.

– Maar ook dan speelt een ingesleten druk van toetsen, cito en schoolkeuze.

Vertrouwen en loslaten

– De samenwerking tussen leraar en onderwijsassistent kan interessant zijn als leraren de expertise van de ander durven toelaten. Dat kan ontspanning brengen. Anderzijds zal het – over vier jaar – aanvankelijk wat benauwend zijn om als leraar met vijftig leerlingen en drie onderwijsassistenten samen te werken.

– Al komt ook daar vertrouwen en loslaten om de hoek kijken.

– Het onderwijs moet beter. Het kan ook beter. Laat als leraar daarom taken die je toevertrouwt aan je onderwijsassistenten gewoon los. Het hoeft niet zo strikt op jouw eigen manier. Voor de leraar is dat vaak een grote mentale stap, dat onderschat ik niet. Maar het is goed als ieder zijn professionele inbreng mag hebben. Omdat het de werkdruk verlicht als je daar voor open staat.

– Vertrouw op je onderwijsassistenten. Bouw er op.