In gesprek met twee Jenaplan-veteranen PO
Over vier jaar geeft een bevoegde leraar les aan vijftig leerlingen, verdeeld over drie leerjaren. Deze leraar wordt per groep van vijftig leerlingen ondersteund door drie onderwijsassistenten. Eén per leerjaar.
– Van onderwijsassistenten was geen sprake in mijn tijd. Als bevoegde leraar werd ik op mijn school ingezet als remedial teacher. Dat was leuk. Kinderen met problemen hielp ik met rekenen en taal. De opvatting in die tijd was om RT-werk uit te voeren in de klas, waar ook de andere leerlingen werkten en ook de leraar bij aanwezig was. Het achterliggende idee was: je geeft ondersteuning in het lokaal waar ook de andere leerlingen leren, dan voelen de ondersteunde leerlingen zich niet zo bijzonder.
– Ik volgde dat advies: lesgeven aan een groepje tussen andere leerlingen en merkte dat het, voor mij, voor de leerlingen die ik begeleidde, niet goed werkte. Uiteindelijk ging ik aan de slag in een eigen RT-ruimte. Dat was beter.
Instructie geven aan volwassenen, dat is anders, toch?
– Als ik nu zelf voor de klas zou staan, stel ik me voor dat ik me door een onderwijsassistent op de vingers gekeken voelde. Ik zou ik het ook niet eenvoudig vinden om onderwijsassistenten instructies te geven. Voor mijn gevoel is dat anders: volwassenen instructies geven. Dat is anders dan aan kinderen, toch?
– Met leerlingen heb je tafelgroepjes. Daar organiseer je bespreekbaarheid, nadat je eerst –
1. met elkaar in de kring hebt gesproken, gaan
2. leerlingen naar hun tafelgroepjes, waar ze
3. pakken wat ze voor de opdracht nodig hebben, dan gaan ze
4. samen plannen maken, plannen die daarna
5. klassikaal onder de loep worden gelegd en besproken
6. uit die gesprekken en plannen vloeit werk voort voor morgen
7. thuis kan – het moet niet – het kringgesprek van de school worden opgepakt in de thuiskring en
8. de opbrengst van het gesprek in huiselijke kring kunnen leerlingen de volgende dag meenemen naar de schoolkring.
Oogsten wat je onderwijsassistenten zien
– Precies hetzelfde proces kun je als leraar ook met je onderwijsassistenten doorlopen. Als leraar kun je dan uiteindelijk oogsten wat de opbrengst van het denken en overleg van de onderwijsassistenten zal zijn.
– Je geeft geen instructie, in plaats daarvan help je bespreekbaar maken wat onderwijsassistenten samen zien en ervan denken. Door vragen te stellen. Zo krijg je als leraar te horen hoe je onderwijsassistenten zelf zien wat ze voor leerlingen zouden kunnen doen.
– Voor zo’n werkwijze is tijd nodig. Ik zou als leraar de tijd willen hebben om te ontdekken wat hun belangstelling heeft. Ik zou willen ontdekken wat hun specialiteiten zijn. Als voor dat gesprek de tijd beschikbaar zou zijn, zou ik het werken met onderwijsassistenten wel leuk kunnen vinden.
Er was een tijd waarin er meer tijd was
– Misschien is dát mijn gevoel wel; dat we werkten in een tijd waarin er meer tijd was. Vergaderen? Nu moet dat. Dat deden we vroeger niet: we bespraken zaken. Bij een kop koffie. Het na schooltijd samen zitten en koffiedrinken was de gesprekskring van het team.
– Als collega’s, werkend in verschillende kleutergroepen, spraken we elkaar voortdurend. Het buitenspelen van de kinderen was voor ons het moment om samen te overleggen. We observeerden, analyseerden, grepen in, spraken kinderen aan, stimuleerden ze. We waren organisch met de leerlingen en met elkaar in gesprek. Onze gesprekken waren volwaardige leerlingenbesprekingen.
Weten we werkelijk hoe leerlingen leren?
– Ik werkte op een school met honderd leerlingen. Dat zou dus staan voor twee bevoegde leraren, plus zes onderwijsassistenten. Waar je hoe dan ook rekening mee moet houden is, dat je als leraar niet lesgeeft aan groep 1, groep 3 of groep 8. Want werken volgens een leerstofjaarklassensysteem werkt niet meer. Jezelf als leraar de regie toe-eigenen, in de zin: jij bent zes jaar, jij krijgt deze leerstof, jij bent acht jaar, jij krijg je die leerstof, is een gezochte constructie.
– Leerlingen zijn, van huis uit, allemaal anders. Dat realiseer je je als je woont in het dorp waar ook jouw school staat. Op een dorp weet je veel. Je kent de huizen, de families, de verbanden, de verhalen, de biografieën. Je weet waar je leerlingen opgroeien, je weet hoe ze opgroeien en hoe daarover wordt gedacht en gesproken.
Maak het mogelijk dat leerlingen zich openstellen
– De manier waarop leerlingen tot leren komen is voor iedereen weer anders. Op dat gegeven moet je inspelen. Want weten we werkelijk hoe kinderen leren? Ik heb jaren lesgegeven. Ik weet nog niet hoe ze leren. Wel weet ik dat je het kinderen mogelijk moet maken zich open te stellen om te leren. Zodat ze zich met elkaar, net als met zwemmen, uiteindelijk in het diepe wagen.
– Wat ik ook geleerd heb, is dat je als leraar hetzelfde moet doen; je in het diepe begeven. Los van een methode. Om met de leerlingen, onderzoekend en elkaar vragen stellend, naar de overkant te zwemmen. Waar de antwoorden, maar ook weer nieuwe vragen liggen.
– Elkaar vragen stellen. Ervaringen opdoen. Verhalen delen. Zorg hebben voor elkaar. Dat is de methode. Elke dag met elkaar bezig zijn met leren. En dat doen op basis van je eigen vragen, je eigen verhaal, je eigen biografie.
Het gaat om de rijkdom van de lesstof
– Ik heb een voorbeeld over mijn jongste zoon: Er is hier, in dit huis, geen schoolrapport van hem te vinden waar niet in vermeld staat dat hij taalzwak is. Hij is een taalzwakke leerling vanaf groep drie, vier, vijf; gedurende de hele basisschool. En daarna in het voortgezet onderwijs? Een taalzwakke leerling. Altijd. Hij is in het buitenland gaan wonen en werken. En als we nu samen in de zon zitten, gaat geregeld zijn telefoon en hoor ik hem in vijf Europese talen zijn zaken regelen. Hij heeft dus, zijn eigen route volgend, heel veel geleerd.
– Volgens mij gaat het om persoonlijke ontwikkeling. In een school waar het gaat om de rijkdom van de lesstof.
– Je neemt leerlingen mee naar het bos. Je deelt ze op in groepjes die ieder op zoek gaan naar een plek waar je een hut kunt bouwen. Ik kom straks bij jullie langs, voeg ik er aan toe. Dan zwemmen ze samen. Ik laat ze begaan. In het diepe. Daar moeten ze overleggen, plannen maken, uitvoeren, bouwen. Ik, als hun leraar, zwem ook in het diepe. Wat zal er gebeuren? Ik zie een jongen. Geheel verdiept in een spin aan een draad. Hij manipuleert de spin en de draad aandachtig en langdurig. Ik maak er foto’s van. ik maak ook foto’s van de anderen. Om hen morgen aan de hand van foto’s te laten vertellen wat ze gedaan hebben, wat ze beleefd hebben.
Ontdek de thema’s die leven
– Stel als leraar geen onderwijsvragen. Vraag wat je echt wilt weten. Zo ontdek je thema’s bij individuele leerlingen, thema’s die leven in de groep. Die thema’s kun je weer bevragen. En die vragen vormen het begin van een olievlek.
– En zo kom je op een gegeven moment in de problemen. Want er komt een toets opdagen, om de hoek. En ouders die willen weten of het mogelijk is dat hun dochter naar het gymnasium gaat. Dat zijn belangrijke vragen. Maar het zijn vragen van een andere orde dan de vragen die je als leraar met je groep bespreekt.
Wat er wezenlijk veranderd is?
– Het werkt in de richting van ouders goed om gewoon te vertellen wat je concreet doet. En als je als leraar weet wat je doet, dan kun je dat ook verklaren.
– Er is veel veranderd in vijftig jaar. Wat er wezenlijk veranderd is? Voor mij persoonlijk: ik zie het verdwijnen van het gemoedelijke. Misschien is dat ook: het verdwijnen van de tijd; van het gevoel we hebben de tijd voor, we nemen er de tijd voor.
– Ook de onderwijsorganisatie is verandert. Meer van buiten aangestuurd. Vroeger was het niet zo streng, niet zo wettisch, niet zo van bovenaf. We deden als het ware organisch wat er voor school nodig was. We deden het vanuit onszelf. Met elkaar. Al was er wel een onderwijsinspecteur. Die de kaartenbak controleerde. Het was een man die onze school kende en onze werkwijze waardeerde.
– Nieuw in deze tijd is een gebrek aan rust. Er zijn zoveel mensen, zoveel disciplines, duobanen, deeltijdbanen. Veel versnippering. Dat werkt onrust in de hand. Uiteindelijk is er een gebrek aan overzicht in één oogopslag. Dat geldt voor de leraren. Dat geldt voor de leerlingen. Er zijn veel prikkels. De kinderen huppelen niet meer door het leven, vrees ik. En thuis komen ze ook niet allemaal tot rust.
Diepte geeft rust
– Voor onderwijs is verdieping nodig. Daar is al je aandacht voor nodig. Als leraar, als leerling. Moet je elke twee minuten weer met iets anders bezig zijn? Dan zit je in de ellende. Dan loop je vast op de zandbanken van de waan van de dag. Iedere keer opnieuw.
– De manier van werken op een school is een gemeenschappelijk bezit. Hoe krijgen we dat voor elkaar? Je moet als leraar, als team, de kunst verstaan om de tijd te faseren. Rust is er nodig. Zelfs stilte. Dat bespreek je niet met de leerlingen, maar wel met elkaar. Het gaat om de laag die onder de ruis zit. Onder de waan van de dag. Er zit in het team vaak wel iemand die dat makkelijk kan – rust scheppen. Die persoon in je team ga je bevragen. Daar wil je van leren. Van daaruit ga je beter samenwerken.
– Echt onderwijs? Dat is in diep water zwemmen. Niet steeds met je tenen tasten of je de bodem nog voelt. Je moet de zandbanken achter je laten en naar de diepte durven.
– Je moet je thuis voelen in de wezenlijkheid van de school. En die is diep. – En die diepte geeft rust.